‘Torres’s concentrated prose goes down hot like strong liquor,’ leest de blurb van collega-schrijfster Tayari Jones op de achterkant van Justin Torres’ debuutroman We The Animals.
Ik zit hier instemmend te knikken.
Het plot: drie broertjes groeien op in een dysfunctioneel gezin in Brooklyn. Ze maken vliegers van afvalzakken, en spelen hun eigen geboortes na met tomatensap en mayonaise. Soms krijgen ze geen eten, soms juist heel veel, soms moeten ze vluchten voor hun moeder, dan weer verstikt ze ze met haar liefde.
De band tussen de broertjes lijkt onbreekbaar, maar met de jaren groeien de verschillen.
Het ritme van de zinnen deed me denken aan het gedicht Howl, van Alan Ginsberg. Je wilt er af en toe oerkreten bij slaken, al zwaaiend met je vuist. Neem dit fragment:
'We wanted more. We knocked the butt ends of our forks against the table, tapped our spoons against our empty bowls; we were hungry. We wanted more volume, more riots. We turned up the knob on the TV until our ears ached with the shouts of angry men. We wanted more music on the radio; we wanted beats, we wanted rock. We wanted muscles on our skinny arms. We had bird bones, hollow and light, and we wanted more density, more weight. We were six snatching hands, six stomping feet; we were brothers, boys, three little kings locked in a feud for more.'
Het einde van We The Animals voelt als een stomp in je maag. Maar potverdrie, stop dit boek vooral in je vakantiekoffer.

Torres’s concentrated prose goes down hot like strong liquor,’ leest de blurb van collega-schrijfster Tayari Jones op de achterkant van Justin Torres’ debuutroman We The Animals.

Ik zit hier instemmend te knikken.

Het plot: drie broertjes groeien op in een dysfunctioneel gezin in Brooklyn. Ze maken vliegers van afvalzakken, en spelen hun eigen geboortes na met tomatensap en mayonaise. Soms krijgen ze geen eten, soms juist heel veel, soms moeten ze vluchten voor hun moeder, dan weer verstikt ze ze met haar liefde.

De band tussen de broertjes lijkt onbreekbaar, maar met de jaren groeien de verschillen.

Het ritme van de zinnen deed me denken aan het gedicht Howl, van Alan Ginsberg. Je wilt er af en toe oerkreten bij slaken, al zwaaiend met je vuist. Neem dit fragment:

'We wanted more. We knocked the butt ends of our forks against the table, tapped our spoons against our empty bowls; we were hungry. We wanted more volume, more riots. We turned up the knob on the TV until our ears ached with the shouts of angry men. We wanted more music on the radio; we wanted beats, we wanted rock. We wanted muscles on our skinny arms. We had bird bones, hollow and light, and we wanted more density, more weight. We were six snatching hands, six stomping feet; we were brothers, boys, three little kings locked in a feud for more.'

Het einde van We The Animals voelt als een stomp in je maag. Maar potverdrie, stop dit boek vooral in je vakantiekoffer.